Erfgoedsite

Site


Witte Nonnenstraat 19: van kloosterhoeve tot
Jenevermuseum. Authentieke ruimtes rond een
sfeervolle binnenkoer, waar de stokersstemmen
en de glaasjes klinken.
In 1979 kocht het Hasseltse stadsbestuur de voormalige stokerij Stellingwerff/Theunissen in de Witte Nonnenstraat, met de bedoeling er een museum in onder te brengen dat de verbondenheid van Hasselt met de jeneverindustrie zou illustreren.
Het museum is gehuisvest in de voormalige stokerij Stellingwerff/Theunissen, die de stad Hasselt aankocht in 1979 met de bedoeling er een museum in onder te brengen. De woon- en werkruimtes van deze stokersfamilies zijn geïntegreerd en voelbaar in het museumparcours. Van de ossenstal gaat het naar de bottelarij en de stookzaal. Na de kiemzolder betreed je de woonruimtes, om te eindigen in de schuur.

Oorspronkelijk was de stokerij een kloosterhoeve van de franciscanessen-penitenten – beter gekend als de witten nonnen - die aan de overkant van de straat hun klooster Sint-Catharinadal bezaten. Tijdens de Franse bezetting werden de kloostergoederen verbeurd verklaard en verkocht. Zo kwam de hoeve in handen van J.A.S. Bamps die ze als jeneverstokerij inrichtte. Later kwam de stokerij in het bezit van de families Stellingwerff en Theunissen die de gebouwen en het interieur grondig veranderden.

Het stokerijcomplex werd, na het overlijden van de weduwe Theunissen in 1971, door verval en sloop bedreigd. Hoewel vervallen, waren naast het woonhuis ook nog de specifieke bedrijfsruimten aanwezig: mouttoren, kiemzolder, stokerij, schuur, stallen en likeurfabriek. Gelukkig werd het pand in augustus 1975 bij Koninklijk Besluit beschermd als eerste industrieel-archeologisch monument in België. De restauratie, gerealiseerd met Europese, provinciale en rijkstoelagen, startte in het voorjaar 1983 en werd in juli 1987 voltooid zodat op 16 september van datzelfde jaar het Nationaal Jenevermuseum zijn deuren kon openen.

Bij de museologische uitbouw van het complex ondergingen een aantal onderdelen een functiewijziging om de toegankelijkheid en de bruikbaarheid als museum te vergroten zonder echter afbreuk te doen aan de industrieel-archeologische waarde van de stokerij. Op deze wijze werd enerzijds een industrieel-archeologische site gevaloriseerd en anderzijds een economisch-historisch gegeven omgebogen in een cultuurtoeristische bestemming.